Het Hageland
de vorming van een historisch landschap
De Hagelandse heuvels, een geschenk van de zee
Het Hageland, een land met een zachte naam, maar met en harde kern van oost-westgerichte ijzerzandstenen heuvelruggen. Vanuit de lucht bekeken vertoont het Hagelandse reliëf zich als een fraaie plooienval, waarin langgerekte, ongeveer even hoge heuvelruggen en de tussenliggende dalen elkaar in een elegant ritme afwisselen. Een beeld dat veel weg heeft van een patroon van zandribbels op een getijdenstrand.
En inderdaad: de oorsprong van dit typische golfreliëf ligt in de zee, die zo'n 15 miljoen jaar geleden de streek bedekte. Door sterke getijdenstromingen werden enorme banken van glauconiethoudende zanden gevormd. Toen de oerzee geleidelijk wegtrok, verhardden de zandbanken tot zandsteen. De oxydatie van het ijzer in het glauconiet gaf ze hun diepe roestbruine kleur.
De 'Diestiaanse' steenlaag - zo genoemd naar het stadje Diest - was geschapen.
Hendrik Conscience wist niet hoe dicht hij de waarheid benaderde toen hij, na een tocht doorheen het Hageland, in 1855 schreef: "Ik was er nu, in dit schoone land, waer met plaetsen de grond bewogen is door heuvelen en diepten, als waren daer eens, gedurende een tempeest, de golven der onstuimige zee plotselings met verstening verrast geworden...'
De ondergrond van het Hageland is, zoals Venus, geboren uit de zee.
De grenzen van het historische Hageland
Wie van noord naar zuid door het Hageland trekt, betreedt achtereenvolgens verschillende landschappen. De stenen heuvelruggen worden minder steil, om ten slotte ter hoogte van Tienen haast ongemerkt over te gaan in de glooiingen van het Brabantse leemplateau.
Het Hageland is in feite een overgangsgebied tussen de schrale zandige Kempen, ten noorden van de Demervallei, en het rijke Haspengouw, en is daarom moeilijk binnen grenzen te vatten.
Gemakshalve kiest men voor enkele rivieren als natuurlijke grenzen: in het westen: De Dijle; in het noorden: De Demer; in het oosten en zuid-oosten: De Gete.
Maar waar begint en eindigt het Hageland, wanneer men vaststelt dat de ijzerzandstenen banken ook opduiken ten noorden van de Demer en ten oosten van de Gete?
En waar ligt de grens in het zuiden, waar het landschap ongemerkt verglijdt in de Haspengouwse glooiingen?
Sommigen aanvaarden als zuidgrens de recente en kunstmatige ijzeren lijn van de spoorweg Leuven-Tienen. Anderen breiden het Hageland vanuit hedendaags sociaal-economisch perspectief uit tot Hoegaarden en Landen, dus tot de zuidgrens van Vlaams-Brabant, tot binnen Haspengouw, maar volledig buiten het historische Hageland.
Dat historische Hageland is een oud bosland, dat zich tot diep in de 19e Eeuw precies door dat bosrijke kleed opvallend onderscheidde van de omliggende landschappen. De naam 'Hageland' is trouwens afgeleid van het Middelnederlandse 'hage', en een 'bosje van dicht kreupelhout'. Het Hageland betekent dus niets anders dan 'bosland'.
Dat historische Hageland, zoals dat nog op de beroemde kaart van graaf Ferraris (1777) verschijnt, reikte slechts tot aan de Velp, een riviertje ten noorden van en evenwijdig met de Gete. "Haegeland. C'est le bocage brabançon", schreef de Leuvenaar Eugène Gens nog in 1849.
Dat historische landschap is, in verschillende fasen, ontstaan door het wisselend spel tussen menselijke ingrepen en natuurlijke overmacht.
Noord en zuid: een scherpe scheidingslijn tussen cultuur en natuur
Enkele van de oudste bewoningssporen in ons land werden teruggevonden ten zuiden van het Hageland: in Wange en Overhespen (7000 v. Chr.). Het treffende relict van de jongere Keltische aanwezigheid in de streek was de vluchtburcht op het plateau van de Kesselberg bij Leuven, waarvan de aarden wal nog zichtbaar is.
Met de komst van de Romeinen (57 v. Chr.) vormde zich tussen het zuiden en het noorden van de streek een schril contrast, dat eeuwenlang zou stand houden. De Romeinen brachten de vruchtbare leem- en zandleemgronden rond Landen, Hoegaarden en Tienen, intens in cultuur.
Een zijtak van de grote heerbaan Keulen-Bavai verbond Tongeren met Tienen, dat uitgroeide tot een vicus of regionale handelsnederzetting. In het systematisch verkavelde, open landschap verrezen talrijke villae, rijke hoeven van welgestelde grootgrondbezitters, die zich lieten bijzetten in van ver zichtbare grafheuvels of tumuli (bv. Grimde). Het beboste heuvelland ten noorden van dit gebied daarentegen, het eigenlijke Hageland, maakte deel uit van het immense 'Kolenwoud', en vertoont veel minder sporen van Romeinse aanwezigheid. Ook de Franken (vanaf de 5e Eeuw) zochten vooral het vruchtbare zuiden op. Een dichte concentratie van Frankische nederzettingen en grote domeinen situeerde zicht tussen Tienen en Landen, steeds in de nabijheid van een beek of rivier.
Van het domein rond Landen wordt beweerd dat het de bakermat was van de Frankische hofmeier Pepein I "van Landen" (+640), de verre voorvader van Karel De Grote. Op de domeinen van de Frankische adel ontstonden de oudste dorpen en kerken (vanaf de 7e Eeuw) van Oost-Brabant: de fundamenten van het kerkje van Sint-Gitterdal te Landen zijn daar een zeldzaam relict van.
De eerste aanval op het bos
De sterke bevolkingsaangroei van de 10de tot de 13e Eeuw bracht overal in Noord-West-Europa een grootscheepse ontginningsbeweging op gang, maar ook in onze gewesten. In deze periode kwam het Hagelands landschap tot stand zoals het bleef voortbestaan tot diep in de 19e Eeuw. Aan die middeleeuwse ontginningen herinneren nog de vele "rode"-namen in het centrum en het noorden van het Hageland, afgeleid van het werkwoord 'rooien' (ontginnen): Sint-Pieters-Rode, Gelrode, Nieuwrode, Waanrode,...
Sinds het midden van de 13e Eeuw lag het resultaat van deze ontginningsgolf vast voor de volgende eeuwen.
Enerzijds behield de streek tussen Winge, Demer en Velp globaal zijn aloude beboste aanblik. Maar in het bos waren grote cultuureilanden geschapen, waardoor het bosmassief uiteenviel in kleinere bosgehelen.
Alleen in het uiterste noorden, met zijn zandige gronden en steile hellingen, bleef zich een uitgestrekt bosmassief uitstrekken tussen Winge en Gete.
In het open akkerlandschap van het oude zuiden verdwenen de laatste bossen, en groeiden de oude Frankische nederzettingen uit tot kleine, compacte hoofddorpen, dicht opeengepakt rond de kerk.
In het eigenlijke Hageland daarentegen ontstond tijdens de middeleeuwse ontginningsgolf een nieuwe, geplande nederzettingsvorm: het driesdorp of driesgehucht. De dries was een min of meer ruim plein, aan de rand waarvan hoeven geschikt waren, en deed dienst als verzamelplaats voor het vee, drinkplaats, waterput, zetel van de schepenbank, plaats voor de schandpaal, schietterrein bij schutterstornooien. De meeste driesen zijn in de 19e Eeuw verkaveld. Hier en daar is de middeleeuwse rooilijn nog herkenbaar (vb. Houwaart, Rotselaar). Een aantal driesen leven nog voort in plaatsnamen (Drieslinter, de Lubbeekse driesen).
Omdat de streek tussen Demer, Gete en Velp door haar overheersend karakter vanaf toen zo afstak tegen de open landschappen van de omliggende gebieden (Haspengouw, Kempen), is men dit landschap met een eigen naam gaan benoemen: het 'Hageland' (de oudst bekende vermelding dateert van 1528). Het historische Hageland was gevormd.
De verleiding van de stad
De Hagelander leefde in de Middeleeuwen niet alleen in de schaduw van heuvel en bos, maar ook binnen het sterke krachtveld van een opvallende krans van steden en stadjes, eertijds parels van het hertogdom Brabant: Leuven, Aarschot, Diest, Zichem, Zoutleeuw, Tienen.
Leuven en Tienen dankten hun groei (11e Eeuw) aan hun ligging op de oude handelsroute van het Maasland naar Antwerpen, precies op die punten waar de Dijle en de Gete bevaarbaar werden.
Aarschot en Diest groeiden uit tot handelsplaatsen op de Demer, een waterweg op de jongere oost-west-handelsroute tussen Brugge en Keulen (12e Eeuw).
Zichem en Zoutleeuw zijn misschien geplande steden ('Villes Neuves'), wat zeker het geval was met het Haspengouwse Landen, gesticht door hertog Hendrik I (1190-1235).
Door deze hoge verstedelijkingsgraad werd het Hageland een economisch kerngebied van Brabant. De welvaartsbron van de middeleeuwse stedenkrans was ook hier het laken: stadjes als Diest en Zoutleeuw dreven druk handel met Engeland, het Rijnland en Frankrijk. De goed gevulde koopmansbeurs betekende welvaart voor het tussenliggende platteland. Akkerbouw en veeteeld werden afgestemd op de stedelijke markt; het Hagelandse vee, de Hagelandse kazen, het Hagelands hout en houtskool vonden afzet tot ver buiten Brabant. Ook de Hagelandse wijnteelt dankte zijn succes aan de stedelijke afzetmarkt.
Vele Hagelandse dorpen werden daarnaast op vele vlakken gedomineerd door adellijke of ridderlijke families, en religieuze gemeenschappen (abdijen en kapittels). Hun macht en prestige was zichtbaar in hun woontorens en kastelen (Maagdentoren, Ter Heiden, Horst) en door hun gepatroneerde parochiekerken.
Pas vanaf de 12e Eeuw vestigden zich kloosterlingen in het Hageland: eerst Benedictijnen (Vlierbeek te Kessel-lo) en Norbertijnen (Park te Heverlee, Averbode) en in de 13e Eeuw, Cisterciënzinnen, waarvan de abdijen schilderachtige namen droegen als Vrouwenpark (Rotselaar), Maagdendaal (Oplinter), Oriënten (Rummen), Sint-Bernardsdaal (Diest).
In Leuven, Aarschot, Tienen en Diest onstonden, naast kloosters van orden zoals de Franciscanen, Augustijnen en Celle broeders, de voor de Nederlanden zo typische begijnhoven, stadjes in de stad, waarvan die van Leuven en Diest het best bewaard zijn gebleven.
De gotiek, die vanaf 1225 in de stad zijn intrede doet, werd kort daarop geïntroduceerd op het platteland. De Hagelandse bouwmeesters maken daarbij gebruik van het warmbruine Diestiaans gesteente, en creëren ondermeer daarmee hun streekeigen variant van deze Europese kunststijl: de zogenaamde 'Demergotiek'.
De schone slaapster
Maar de totale overgave aan de verleiding van de stedelijke markt werd de overgang van het Hageland. De traditionele Brabantse lakennijverheid moest na 1400 de duimen leggen voor lichtere stoffen. Antwerpen groeide rond 1500 uit tot wereldmarkt en zoog kapitaal en ondernemers aan, ten koste van de Hagelandse steden. Na 1430 begon de lange doodstrijd van de Hagelandse wijnbouw. Een mooie toekomst was echter weggelegd voor het bier, waaraan Leuven, Diest en Hoegaarden naam en faam te danken zouden hebben. Maar voor een lakenstad als Zoutleeuw was het tij onomkeerbaar. Als bij wonder bleef de middeleeuwse kunstschat van de Sint-Leonarduskerk bewaard, kroongetuige van het grootste verleden van deze tot dorp verworden stad.
De Hagelandse stad sleepte in haar val het gespecialiseerde kleine Hagelandse landbouwbedrijf mee. Wat nog aan levenskracht restte werd brutaal onderdrukt door de Tachtigjarige Oorlog, die vooral op het einde van de 16e Eeuw de streek erg zwaar trof. Van hoogontwikkeld gebied belandde het Hageland voor lange tijd in een sociaal-economische - en daardoor ook geografische - beslotenheid. Alle pogingen tot herstel werden afgeremd door een langdurige reeks oorlogen met in hun zog, dodelijke epidemieën. Zowel de Demer, natuurlijke oost-west-barrière, als het vruchtbare zuiden waren belangrijke oorlogsdoelen: eerst tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), later tijdens de oorlogen van de Franse Lodewijk XIV (1672-1713) en tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748).
Soelaas zocht de bevolking in een innige devotie, die zich vooral richtte tot Maria en pestheiligen als Sint-Rochus. De volksvroomheid kreeg een krachtige impuls van de Contrareformatie. Eén van de grote monumenten van de Contrareformatie verrees in het Hageland, bij Zichem. Het aartshertogelijk paar Albrecht van Oostenrijk en Isabella van Spanje liet daar, op een "Scherpe heuvel" (Scherpenheuvel), de eerst barokke kerk in de Nederlanden bouwen (1609-1629), bovendien de eerste kerk in ons land met een centraal grondplan. Rond de bedevaartskerk wordt een planmatig stadje met stervormig patroon aangelegd: Scherpenheuvel is het enige voorbeeld van het urbanisme van de Renaissance in de Lage Landen. Ook Aarschot en Diest en de abdij van Averbode leverden fraaie voorbeelden van de nieuwe, triomfantelijke barokstijl. Vele Hagelandse parochies werden bediend door Norbertijnen; van dat verleden leggen hun fraaie pastorieën nog getuigenis af.
Een moeizaam ontwaken
Reeds vanaf de 17e Eeuw, maar vooral in de 18e Eeuw, herwonnen de Demerstadjes in het noorden, en Tienen en Hoegaarden in het zuiden, hun functie van regionale marktcentra. De Oostenrijkse Habsburgers maakten door een stralenkrans van verharde wegen ("steenwegen"), Leuven tot handelsdraaischijf van de Zuidelijke Nederlanden. Twee van deze eerste gemoderneerde wegen ontstonden in het Hageland: de steenweg naar Tienen (en zo verder naar Luik; 1711), naar Diest, dwars door het oude bosland (1778), en van Diest naar Aarschot (klaar in 1781).
Om de bevaarbaarheid van de Demer te bevorderen ging men in 1753 en 1772 over tot het stelselmatig afsnijden van de Demermeanders, die vandaag nog als 'kapieren' (van: coupures) het landschap van de Demervallei sieren.
Ondanks de bescheiden groei herwon het Hageland nooit het elan van zijn middeleeuwse expansie. De veralgemening van de aardappel was een zegen voor de kleine Hagelandse landbouwbedrijfjes.
De dodelijke epidemieën en hongersnoden behoorden voortaan grotendeels tot het verleden. De ordonnantie van keizerin Maria-Theresia voor de ontginning van de woeste gronden in Brabant (1772) bleef in het Hageland echter zo goed als dode letter: de ondergrond van de beboste heuvels was te onvruchtbaar. Wel werden vele loofbossen vervangen door pijnbomen, die op vele plaatsen het uitzicht van het bos zouden bepalen tot diep in de 19e Eeuw.
De meeste Hagelandse abdijen verdwenen definitief in 1796.
Hoewel de oude adel onder de Franse bezetting (1795-1815) zijn privilleges verspeelde, bleef de Hagelander nog lang nadien leven in de schaduw van het kasteel, waarvan er heel wat gebouwd of herbouwd werden door rijke burgerfamilies die de oude adellijke levenswijze nastreefden. Op zijn heuvel te Wezemaal (sindsdien Wijngaardberg geheten) liet de hertog d'Ursel kort voor 1815 een uitgestrekte wijngaard aanleggen (20 ha), die in 1829 zelfs vereerd werd met het bezoek van koning Willem I en tot 1865 in gebruik bleef.
De langzame intrede in de nieuwe wereld
Na de zware landbouwcrisis van de jaren 1840 verplichtte de Belgische regering in 1847 de gemeenten hun oude gemeentelijke gronden rendabel te maken. Deze keer werd in het Hageland met succes de definitieve aanval op het bosland ingezet. Uit dit recent verleden stamt het beeld van de vele naakte Hagelandse heuvelruggen met her en der verspreid staande kleine boerderijtjes, oorspronkelijk nog in leem, vanaf de jaren 1880 in baksteen.
In de oude woonkernen werden vele driesen verkaveld; de bewoning spreidde zich uit langs de wegen, een evolutie die tot vandaag aanhoudt, wat ook aan grote delen van het Hageland het minder fraaie, 'Belgische' beeld van de lintbebouwing bezorgde.
De schrale gronden en de kleine familiebedrijfjes boden echter onvoldoende bestaanszekerheid en bracht vele boeren ertoe elders werk te zoeken, als seizoensarbeider op de grote hoeven van het Walenland, of als arbeider in de industriële groeipolen van Luik en Charleroi, later ook in de Limburgse steenkoolmijnen. De industriële revolutie zelf ging grotendeels aan de Hagelandse marktstadjes voorbij. Alleen aan de rand, in Leuven en Tienen, kwam industrie van betekenis van de grond.
Het Hageland werd erg laat voor het modern verkeer ontsloten: pas vanaf 1865 werden in de Demervallei de eerste spoorlijnen aangelegd; belangrijker nog werd de aanleg van tramsporen vanaf 1893. Ook recenter, bij de uitbouw van het autowegennet, kwam het Hageland achteraan in de rij (1982). De snelweg versterkte echter in de eerste plaats de pendelbeweging naar Leuven en Brussel.
Waar veel Hagelandse dorpen vergrijsden, werd de charme van het landschap ontdekt door welvarend geworden bedienden en kaderleden uit de stad; de keerzijde is dat het Hageland stilaan dichtslibt en vele historisch gegroeide landschappen definitief verloren gaan.
Onze eeuw zag het begin van de reconversie met toekomst: de fruitteelt. Eerst verschenen, in de jaren 1920, op de stenige zuiderhellingen de perzikbomen, met hun roze bloesemtooi, en op de zandige lagere gronden, asperges en aarbeien. Recenter zijn heel wat Hagelandse boeren zich met succes gaan toeleggen op het laagstamfruit: de blakende 'Jonagold', één van de sterproducten van de Belgische fruitteelt.
De opvallendste vernieuwing kwam er echter in de jaren 1970, toen de wijnbouw nieuw leven werd ingeblazen. Vandaag is het Hageland opnieuw het noordelijkste wijngebied van Europa, en is de Hagelandse wijn het visitekaartje van de streek geworden.
Bart Minnen