Gempemolen

Over Gempemolen

Geschiedenis Gempemolen tot 1229

Aangezien de molen met spaarvijvers en grond in 1229 geschonken werd aan een religieuze gemeenschap (zie verder) staat het vast dat de molen en omgeving voor dat jaar tot het hertogelijk domein behoorde. Oudere gegevens zijn ons, vooralsnog, niet bekend. De molen werd naar alle waarschijnlijkheid hier ingeplant omwille van de samenvloeiing van 3 beken: de Molenbeek, de Sassenbeek en de Kraaiwinkelbeek. Bovendien was (en is) het moerassig gebied dat zich leende om spaarvijvers aan te leggen, en lag het het in een vallei met voldoende verval om een bovenslagrad te kunnen installeren.

 

Bouw en aanleg vijvers

De bedding van de Molenbeek werd hogerop in de vallei gelegd zodat er een molen met een hoger verval en bovenslagrad kon gebouwd worden; de 3 opgestuwde beken stonden in verbinding met de spaarvijvers die vóór een molendijk aangelegd werden. De 3 beken samen hebben in de zomerperiode een debiet dat niet altijd volstaat om de molen aan te drijven: spaarvijvers boden hiervoor een oplossing.

 

1229

In de 13de eeuw (1229) schonk de hertog van Brabant, Hendrik I, een lap grond met watermolen aan een op te richten kloostergemeenschap van Norbertinessen. In de middeleeuwen was het gebruikelijk dat belangrijke personen schenkingen deden aan religieuzen met de bedoeling hun zieleheil te garanderen.

De kloosterzusters kregen ook de rechten op de grote Gempevijver (=de bovenvernoemde spaarvijvers), die water leverde om tijdens droge zomers de molen aan te drijven, als de Molenbeek niet genoeg kracht leverde.

 

1229 - 1728

Gedurende een periode van 500 jaar bleven de molen en de spaarvijvers eigendom van het Norbertinessenklooster van Gempe, ook 'Insula Ducis' of 's Hertogeneylant' genoemd.
In het Parkarchief (Abdij van Park, Heverlee) is nog een document terug te vinden uit 1487 dat handelt over de Gempemolen. Het betreft een attest, geleverd door Jan Soeten, 'gezworen molensleger van Loven' die verklaart dat de goot van vier duimen hoog op de resbalck (pegel) mag liggen zodat het water van boven op het rad kan komen. Het betrefte hier dus wel degelijk toen al een bovenslagrad.

Ook een document van 1510 heeft het over 'de resbalck' maar brengt verder geen nieuwe gegevens aan over de molen. Het ontbreken van pachtovereenkomsten ontneemt ons een beter zicht op de molen en zijn machinepark.

 

1728 - 1850 - De periode nà de Norbertinessen

Het interessantste document dat bewaard is gebleven, is de verkoop van de molen op 15 september 1728 door het Norbertinessenklooster aan molenaars Jan Baudewijns en zijn vrouw Anna Hermans. In deze verkoopakte is uitdrukkelijk bepaald dat de kopers het water mogen 'trekken' van de vijver maar wel zo dat er geen schade aan het visbestand ontstaat.

Opvallend hier: de molen is dus in andere handen terwijl de vijvers eigendom blijven van het Klooster van Gempe.

Over de beweegredenen van de verkoop van de molen is tot op heden niets teruggevonden. Was het gebouw in slechte staat en wou men geen kosten doen? Deed de koper in dit geval een renovatie?

Uit een aanvullende bouwhistorische nota van 1999 kan met concluderen dat de molen op een bepaald moment in de geschiedenis gedeeltelijk is afgebrand. Het feit dat enkel de moerbalken van het dakgebinte daarvan getuigen, wijst erop dat het hele dakgebinte eraan ging en werd vervangen. Vermoedelijk heeft deze brand gewoed in de 18e Eeuw, en er kan worden vastgesteld dat na deze brand enkele ingrijpende verbouwingen werden doorgevoerd. In het molengedeelte staat in een houten balk '1758' gekerfd, misschien is dit de datum van de verbouwingen?

In dezelfde nota van 1999 wordt geconcludeerd dat het gebouw er voor de brand iets anders heeft uitgezien: het was kleiner, had misschien een rieten of leien dakbedekking, de voorgevel was misschien in vakwerk en het interieur was anders ingedeeld.

In het jaar V van de nieuwe jaartelling van de Franse Republiek wordt het klooster opgeheven en alle eigendommen publiek verkocht, zo ook de spaarvijvers.

Vooralsnog ontbreken de gegevens aan wie deze spaarvijvers verkocht werden, maar het lijkt logisch dat de toenmalige molenaar interesse zal betoond hebben. Spijtig genoeg zijn enkele notarisarchieven verloren gegaan en blijven we achter met een periode van 80 jaar zonder gegevens...

 

1850 - 1943

In 1880 erft Paul De Heen de molen, woonhuis, vijvers, weiden, bos en 'oserai' (grond waarop schaarhout gewonnen wordt); in totaal 11 ha 44 a 40 ca van zijn ouders Pierre van Heen en Jeanne Lambrechts. Op dat moment, zo'n 80 jaar na de publieke verkoop door de Franse Republiek, zitten spaarvijvers en molen in dezelfde eigendom. Hieruit blijkt dat wellicht bij deze publieke verkoop de molenaar de spaarvijvers heeft opgekocht.

In de oude Atlas der Waterwegen van ong. 1875 vinden we inderdaad iets terug over de bovenvermelde 'oserai'. De spaarvijvers zijn op deze kaart omgevormd tot 'oserai' of schaarhoutbos. Het water van de Kraaiwinkelbeek wordt omgestuwd en via een gracht (déviation) naar de Molenbeek geleid. In het begeleidend schrift wordt het sluiswerk en het rad vermeld: een bovenslagrad van 2m40, geen pegel aanwezig, schuiven hebben een hoogte van 1m10.

In 1886 verkoopt de weduwe van Paul De Heen en haar zoon Pierre de molen en spaarvijvers aan een familielid: Maria C.V. De Heen (weduwe Meskens).

Deze verkoopt dan eerst in 1900 de molen aan Louis Petrus Keldermans en in 1902 verkoopt ze in verschillende loten de tot bos of 'oserai' omgevormde vijvers én het oude woonhuis (de huidige Gempemolen) én de oude afspanning 'De Drie Haringen'. Deze laatstgenoemde eigendom heeft zij geërfd van haar echtgenoot Franciscus Meskens. Op dat moment ontstaat er uiteraard voor de molenaar weer de situatie dat hij moet stuwen op waterlopen die op andermans eigendom liggen...

Hierover vonden we ook een heleboel informatie in de Bijzondere voorwaarden van de verkoopakte van de molen uit 1900:
2. De verkoopster verbindt zich van de loop der beek genaamd Craeywinckelbeek, doorlopend de erf van de vijvers heden uitgedroogd en veranderd in bosch gekadastreerd Sectie c numéros 3 en 6 niet te veranderen op zulke wijze door de waterval van den molen van dezen toestroom te berooven.
In geval van verkooping der uitgedroogde vijvers heden bosch, doorloopen door voormelde beek, verplicht de verkoopster zich van de voorschreven verbintenis aan de koopers op te leggen. De gezegde verbintenis is aangegaan op zulke wijze dat de eigenaar der beek er zich mag bedienen en den loop ervan veranderen volgens goeddunkens maar dat hij de waters niet mag afleiden onder den waterval van den molen om aan deeze geene schade toe te brengen.
3. De koopers zullen moeten eerbiedigen zoo en gelijk de verkoopster gehouden was te doen, alle recht van uitweg en andere erfdienstbaarheden die op hunne koopen zouden kunnen bestaan in voordeel van andere eigendommen....

In de verkoopakte van de vijvers in 1902 staat een gelijkaardige uitdrukkelijke passage over de molen onder de Bijzonder voorwaarden:
De koopers des lot een, twee en vijf welke doorsneden zijn met de Craeywinckelbeek, zullen den huidigen loop deze beek moeten behouden, ten einde den toestroom derzelfder beek aan den waterval van den Gempemolen in zijnen tegenwoordigen staat te bewaren.
Werden die loten niet verkocht zoo neemt de verkoopster de verbintenis voor haar en hare opvolgers, voorgaande bepalingen te voeren.
Deze erfdienstbaarheid moet in dezer voege verstaan worden, dat de eigenaars des loten een, twee en vijf gebruik zullen mogen maken van gemelde Groenwinckelbeek en er in de richtign van veranderen volgens hun goeddunken maar dat dezelfe de waters niet zullen mogen afleiden noch verlagen onder den waterval van gezegden molen, aan dewelken zij geene schade noch hinder mogen toebrengen....


Hieruit menen we te mogen opmaken dat in die periode de molen draaide - zonder spaarvijvers - op het water van de Molenbeek en de Kraaiwinkelbeek.

In die tijd werd de molen ook met een stoommachine en later met een diesemotor (lister) aangedreven. Dit verklaart waarschijnlijk het feit dat de molen het zonder de spaarvijvers kon stellen. De achtergebouwen van het molengebouw, waar op dat moment de Lister- en dieselmotor stonde die het tweede steenkoppel kon aandrijven, zijn later afgebroken. In het molenhuis kan je vandaag nog wel zien dat het tweede gedeelte van de molen in gietijzer werd vervaardigd ipv in hout: een stille getuige van dat tijdperk.

In 1920 erft Constantia Grauwels de molen van Petrus Keldermans

De erfgenamen van Constantia Grauwels (Grauwels/Meynckens) verkopen in 1939 de molen aan Alfons Schollen en Leontina Van Nerum (Deze laatste is in de buurt beter gekend als 'Tinneke Schollen')

 

Periode 1943 - 1964

Uit de getuigenissen van de zoon van de laatste molenaar, de heer Henrikus Schollen, weten we dat in 1943 het houten bovenslagrad werd vervangen door een ander rad. De molenaar kocht het middenslagrad van de Heilige Geestmolen van Sint-Pieters-Rode op (op de Wingebeek) en bouwde het om tot een bovenslagrad met metalen as maar met houten schoepen. Om het binnenwerk aan te kunnen drijven werd de as voorzien van de metalen kubusachtige verdikking.

Hij vertelde tevens dat de spaarvijver toenertijd nog steeds gebruikt werd als 'oserai'. Een buurman die nog lang in de oude woning naast de grootste spaarvijvers heeft gewoond, de heer ???, herinnerde zich nog de gracht die het water van de Kraaiwinkelbeek naar de Molenbeek bracht en die zij moesten vrijhouden.

Op 12 april 1944 werd de molen beschermd als monument, in oorlogstijd. De molenaarswoning was in deze periode ook bekend als afgelegen café. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er nog heel wat gemalen maar de activiteit doofde langzaam uit en in 1963 werd de molen verkocht aan de familie Lavaerts - Nulens, die het gebouw als buitenverblijf inrichtte en de achtergebouwen grotendeels sloopte.

De familie Lavaerts (zij hadden een gekende messenwinkel in Leuven) bracht mooie jaren door in de Gempemolen. Menig ontspannend moment, en de kinderen vierden hier hun huwelijk....

Vader Lavaerts genoot van zijn bankje onder de treurwilg terwijl de oude dag toenam... Het molenhuis was stilaan aan renovatie toe...

Tot op een gegeven moment de Gempemolen toch werd verkocht. Veel geïnteresseerden, maar ook veel renovatiewerk... Uiteindelijk kocht de Brouwerij van Haacht het pand, en voerde de nodige werken uit.

Na een periode waarin eerst Achille Claes het eerste huurcontrac voor zijn rekening nam, nam Hans Meus het contract over en blies een nieuwe wind door de Gempemolen.

Met veel respect voor de geschiedenis, de volksverhalen van Gempe en een zoektocht naar de oorspronkelijke - nog levende - bewoners van het gehucht, kwam er stilaan een hoop informatie bovendrijven die de mooie geschiedenis van de molen en het gehucht in woord en beeld brengt.

De familie van Clara Blockx, Karina van Bergen en de familie Lavaerts, maar ook de huidige bewoners van het gehucht springen regelmatig binnen met een kort verhaal 'van vroeger'...

Vandaag baat Hans Meus de Gempemolen uit, met een gezonde dosis enthousiasme. Commerce is belangrijk, maar de interesse voor de geschiedenis zorgt toch net voro dat tikkeltje meer...

Welkom!

wordt vervolgd...

Meer items

Contact

Gempstraat 56 3390 Sint-Joris-Winge
info@gempemolen.be
T 016 48 73 07

Al onze straffe stoten voor de komende periode!

Agenda met straffe stoten en stunts!
Webdesign by

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

x